|
Waar de rest begon
(fragment uit een lied) En ieder nieuw woord Werd een liedje En ieder nieuw ding Moest geproefd en verteld Niemand mocht verdrietig En alles moest samen Het spelen, het slapen En om de beurt iemand verliezer En iemand de held Toegedekt Of op schouders rondgedragen Was ik alleen maar Een naam die ik net schrijven kon Wist ik veel Ik snapte amper in die dagen Waar ik ophield En waar de rest begon |
WAAR DE REST BEGON - ONTHULLING (tekst Jurrian van Dongen)
De meeste woorden die ons omringen gaan over wat er staat.
Die zeggen: doe dit. Vind dat. Of: deze dingen zijn gebeurd.
Poëzie gaat over wat er niet staat.
Poëzie doet een gooi naar het ongrijpbare, het kleine of grote mysterie van het leven.
Een gedicht verkent een nog niet beschreven sensatie, een begraven of overgeslagen gevoel.
Naast alles wat we concreet ervaren en kunnen benoemen is er een universum, oneindig veel groter dan dit, onbekend terrein, dat poëzie in kaart probeert te brengen.
Taal kan hard zijn. Genadeloos. En lelijk. Woorden kunnen muren optrekken.
Poëzie zet deuren en ramen open. En sloopt, al was het maar voor twee seconden, die muren.
Een vruchtbaar gedicht opent een hele nieuwe wereld.
De zinnen van WAAR DE REST BEGON proberen te vangen hoe iemand zich z'n kindertijd herinnert.
Hoe de wereld zich voor een kind ontvouwt met elke stap, elk nieuw woord, iedere verse ontmoeting.
Hoe alles in dat vroegste begin gewoon is wat het is. Zonder geschiedenis, zonder oordeel.
Een kind denkt niet na over wie hij eigenlijk is. Een kind moet uitgelegd krijgen dat hij dat is, daar in die spiegel. Er is nog geen aparte ervaring, de sensatie en de belever van die sensatie zijn één. Alles is nog heel. Of om uit de tekst te citeren:
"Niets was laf of dapper
Want niets was in plaats van iets anders
In plaats van iets beters
Dus niets was in plaats van voldoening of spijt
Toegedekt of op schouders rondgedragen
Was ik alleen maar een naam die ik net schrijven kon
Wist ik veel
Ik snapte amper in die dagen
Waar ik ophield
En waar de rest begon"
Want onverbiddelijk begint er daarna een rest.
Je komt iemand tegen waarover iemand influistert: dat is de ander. Een ander iemand.
Er staan plotseling overal tuinhekjes, er gaan deuren dicht, er zijn straten die je niet zomaar mag oversteken.
Met het opgroeien loop je tegen afspraken aan: daar hoor je bij, daar hoor je niet bij.
Of: zo moet je doen, en doe dat maar liever niet.
Op een dag ervaart elk kind voor het eerst een klein verdriet, het voelt allesomvattend.
Het besef groeit dat jij er bent en de rest. De rest is de rest van de mensen, de andere dingen die jij niet bent, de plekken waar je niet hoort en de tijd je rest.
Dank jullie wel,
Stichting Muurgedichten Nunspeet
Van den Broek Lohman Fonds Nunspeet
Wednesday Society en Gemeente Nunspeet
Dat een tekst van mij muurgedicht mocht worden. Ik ben dankbaar en als ik erover nadenk wat er nou precies vanmiddag gebeurt, ga ik ook blozen als een puber.
Allereerst omdat ik opeens in een route hang tussen alle dichters die ik zelf bewonder. Judith Herzberg, Rutger Kopland, Willem Wilmink, Joke van Leeuwen, Ted van Lieshout, Hans Andreus, Gerrit Achterberg, Hans Lodeizen, Slauerhoff...
In de tweede plaats omdat ik geen dichter ben. Ik schrijf geen gedichten maar liedteksten. Toch hebben een paar mensen zich er met veel energie en liefde voor ingezet om me dit concept in te smokkelen.
En het voelt eervol, niet in de laatste plaats, dat dit in Nunspeet gebeurt. Hier was ik de eerste 17 jaar van m'n leven. Alle aktes die in het geciteerde lied voorbijkomen, speelden zich voor mij af in Nunspeet.
Het naïeve, kinderlijk onbegrensde in de zinnen, was voor mij het linoleum en de ecoline van kleuterschool de Totempaal aan de Troelstrastraat.
Het waren de eindeloze zomeravonden op grasvelden aan de Vlaanderenlaan.
Het was het bos rondom de Zandeplas en de Witte Wieven dat zo groot was dat je kon doen of je verdwaalde.
En hier begon voor mij ook alles wat daarna kwam.
Het meemaken dat zoveel mensen zich, als het erop aankwam, liever terugtrokken in hun eigen gelijk met gelijkgestemden.
Het je als kind verloren voelen, onbegrepen en niet gezien.
Het droevig worden als een merel op die eindeloos lijkende zomeravond toch de schemer aankondigde.
Maar ook ligt hier op de Veluwe de kiem van de ontdekking hoe je daarmee om kon gaan of aan kon ontsnappen: met het wonder van taal. Met elk nieuw woord dat ik leerde schrijven bij Juf Mink in de eerste klas op de Petraschool groeiden de mogelijkheden. Schriftjes schreef ik vol. Eigen versjes kwamen in de schoolkrant. Ik schreef een vervolgverhaal waarvan meester Foppen in de vijfde klas me iedere vrijdagmiddag een stukje in de klas liet voorlezen. Er zal zeker poëzie geweest zijn in Nunspeet in de jaren 70 en 80, maar niet zo zichtbaar als nu met de Muurgedichten. Gelukkig vond ik Wilmink, van Leeuwen, Annie Schmidt, Guus Kuier, Herzberg, Kopland, Andreus en zielsverwanten in de oude bibliotheek aan de Laan en op tv en de radio.
Met woorden kon je iemand aan het lachen maken, en laten huiveren. Hoe verrukkelijk en magisch was dat! Woorden konden verloren tijd oplossen. Gedichten kon je zingen. Wat niet heel was, kon je helen, al was het maar voor 2 seconden.
Hopelijk verleiden de zinnen van WAAR DE REST BEGON passanten, Nunspeters en bezoekers, tot stilstaan.
En dan gaat het niet om het moment van lezen, maar om het moment erna.
Het moment van het doorlopen of weer op de fiets stappen.
De woorden doen hun werk, als een enkeling, doorwandelend of fietsend richting het station of de markt, ineens voor een ogenblik ziet dat er niet zoiets bestaat als het andere en de ander. Alles is verbonden. Er is geen 'ik' en de rest. Als je als een kind kijkt, is alles heel. En was het dat altijd al.
Ik citeer de tweede helft van het lied, na waar het muurgedicht ophoudt:
"Soms als nu
Iets onverwacht mijn woede sust
Of mijn razende gepieker neemt
Een paar seconden rust
Als één oogopslag
Eén hand, éen lach
De stormen in mijn hoofd
Heeft bezworen of verdoofd
Is het terug
Dan is het terug
En wat ik niet wilde zien
Wie ik ijskoud voorbij liep
Blijkt met mij verwikkeld
In dezelfde dans
En de lucht krijgt dat lome
Laat maar komen
Van een zomerdag
Even lijkt
Elke afstand te vervagen
Valt alles samen
In contouren aan de horizon
Zo volmaakt
Dat ik vergeet me af te vragen
Waarom het ophield
En waar de rest begon"
De meeste woorden die ons omringen gaan over wat er staat.
Die zeggen: doe dit. Vind dat. Of: deze dingen zijn gebeurd.
Poëzie gaat over wat er niet staat.
Poëzie doet een gooi naar het ongrijpbare, het kleine of grote mysterie van het leven.
Een gedicht verkent een nog niet beschreven sensatie, een begraven of overgeslagen gevoel.
Naast alles wat we concreet ervaren en kunnen benoemen is er een universum, oneindig veel groter dan dit, onbekend terrein, dat poëzie in kaart probeert te brengen.
Taal kan hard zijn. Genadeloos. En lelijk. Woorden kunnen muren optrekken.
Poëzie zet deuren en ramen open. En sloopt, al was het maar voor twee seconden, die muren.
Een vruchtbaar gedicht opent een hele nieuwe wereld.
De zinnen van WAAR DE REST BEGON proberen te vangen hoe iemand zich z'n kindertijd herinnert.
Hoe de wereld zich voor een kind ontvouwt met elke stap, elk nieuw woord, iedere verse ontmoeting.
Hoe alles in dat vroegste begin gewoon is wat het is. Zonder geschiedenis, zonder oordeel.
Een kind denkt niet na over wie hij eigenlijk is. Een kind moet uitgelegd krijgen dat hij dat is, daar in die spiegel. Er is nog geen aparte ervaring, de sensatie en de belever van die sensatie zijn één. Alles is nog heel. Of om uit de tekst te citeren:
"Niets was laf of dapper
Want niets was in plaats van iets anders
In plaats van iets beters
Dus niets was in plaats van voldoening of spijt
Toegedekt of op schouders rondgedragen
Was ik alleen maar een naam die ik net schrijven kon
Wist ik veel
Ik snapte amper in die dagen
Waar ik ophield
En waar de rest begon"
Want onverbiddelijk begint er daarna een rest.
Je komt iemand tegen waarover iemand influistert: dat is de ander. Een ander iemand.
Er staan plotseling overal tuinhekjes, er gaan deuren dicht, er zijn straten die je niet zomaar mag oversteken.
Met het opgroeien loop je tegen afspraken aan: daar hoor je bij, daar hoor je niet bij.
Of: zo moet je doen, en doe dat maar liever niet.
Op een dag ervaart elk kind voor het eerst een klein verdriet, het voelt allesomvattend.
Het besef groeit dat jij er bent en de rest. De rest is de rest van de mensen, de andere dingen die jij niet bent, de plekken waar je niet hoort en de tijd je rest.
Dank jullie wel,
Stichting Muurgedichten Nunspeet
Van den Broek Lohman Fonds Nunspeet
Wednesday Society en Gemeente Nunspeet
Dat een tekst van mij muurgedicht mocht worden. Ik ben dankbaar en als ik erover nadenk wat er nou precies vanmiddag gebeurt, ga ik ook blozen als een puber.
Allereerst omdat ik opeens in een route hang tussen alle dichters die ik zelf bewonder. Judith Herzberg, Rutger Kopland, Willem Wilmink, Joke van Leeuwen, Ted van Lieshout, Hans Andreus, Gerrit Achterberg, Hans Lodeizen, Slauerhoff...
In de tweede plaats omdat ik geen dichter ben. Ik schrijf geen gedichten maar liedteksten. Toch hebben een paar mensen zich er met veel energie en liefde voor ingezet om me dit concept in te smokkelen.
En het voelt eervol, niet in de laatste plaats, dat dit in Nunspeet gebeurt. Hier was ik de eerste 17 jaar van m'n leven. Alle aktes die in het geciteerde lied voorbijkomen, speelden zich voor mij af in Nunspeet.
Het naïeve, kinderlijk onbegrensde in de zinnen, was voor mij het linoleum en de ecoline van kleuterschool de Totempaal aan de Troelstrastraat.
Het waren de eindeloze zomeravonden op grasvelden aan de Vlaanderenlaan.
Het was het bos rondom de Zandeplas en de Witte Wieven dat zo groot was dat je kon doen of je verdwaalde.
En hier begon voor mij ook alles wat daarna kwam.
Het meemaken dat zoveel mensen zich, als het erop aankwam, liever terugtrokken in hun eigen gelijk met gelijkgestemden.
Het je als kind verloren voelen, onbegrepen en niet gezien.
Het droevig worden als een merel op die eindeloos lijkende zomeravond toch de schemer aankondigde.
Maar ook ligt hier op de Veluwe de kiem van de ontdekking hoe je daarmee om kon gaan of aan kon ontsnappen: met het wonder van taal. Met elk nieuw woord dat ik leerde schrijven bij Juf Mink in de eerste klas op de Petraschool groeiden de mogelijkheden. Schriftjes schreef ik vol. Eigen versjes kwamen in de schoolkrant. Ik schreef een vervolgverhaal waarvan meester Foppen in de vijfde klas me iedere vrijdagmiddag een stukje in de klas liet voorlezen. Er zal zeker poëzie geweest zijn in Nunspeet in de jaren 70 en 80, maar niet zo zichtbaar als nu met de Muurgedichten. Gelukkig vond ik Wilmink, van Leeuwen, Annie Schmidt, Guus Kuier, Herzberg, Kopland, Andreus en zielsverwanten in de oude bibliotheek aan de Laan en op tv en de radio.
Met woorden kon je iemand aan het lachen maken, en laten huiveren. Hoe verrukkelijk en magisch was dat! Woorden konden verloren tijd oplossen. Gedichten kon je zingen. Wat niet heel was, kon je helen, al was het maar voor 2 seconden.
Hopelijk verleiden de zinnen van WAAR DE REST BEGON passanten, Nunspeters en bezoekers, tot stilstaan.
En dan gaat het niet om het moment van lezen, maar om het moment erna.
Het moment van het doorlopen of weer op de fiets stappen.
De woorden doen hun werk, als een enkeling, doorwandelend of fietsend richting het station of de markt, ineens voor een ogenblik ziet dat er niet zoiets bestaat als het andere en de ander. Alles is verbonden. Er is geen 'ik' en de rest. Als je als een kind kijkt, is alles heel. En was het dat altijd al.
Ik citeer de tweede helft van het lied, na waar het muurgedicht ophoudt:
"Soms als nu
Iets onverwacht mijn woede sust
Of mijn razende gepieker neemt
Een paar seconden rust
Als één oogopslag
Eén hand, éen lach
De stormen in mijn hoofd
Heeft bezworen of verdoofd
Is het terug
Dan is het terug
En wat ik niet wilde zien
Wie ik ijskoud voorbij liep
Blijkt met mij verwikkeld
In dezelfde dans
En de lucht krijgt dat lome
Laat maar komen
Van een zomerdag
Even lijkt
Elke afstand te vervagen
Valt alles samen
In contouren aan de horizon
Zo volmaakt
Dat ik vergeet me af te vragen
Waarom het ophield
En waar de rest begon"